BTW in de beroepspraktijk van een musicus

Bronvermelding: Oktober 2012 www.musiconomie.nl Door:  MR. DR. A.H. (Ton) LAMERS

BTW, belasting toegevoegde waarde, ook wel omzetbelasting genaamd is  wellicht de bekendste speciale belasting waarmee de meeste ondernemers worden geconfronteerd. Ook musici die ondernemer zijn krijgen er mee te maken en wel op een gecompliceerde wijze omdat de BTW is gekoppeld aan de levering of de dienst en niet aan de persoon van de ondernemer. Dat laatste heeft tot gevolg dat een musicus /ondernemer die een gemengde beroepspraktijk heeft ‐ en dat hebben de meeste ‐ met een beetje pech  op de verschillende diensten die ze verlenen alle vier de verschillende BTW regimes moeten toepassen; 21% (het hoge of algemene tarief), 6% (het lage tarief), 0% (het nul‐tarief) en de vrijstelling. Zulks brengt een gecompliceerde administratie met zich. In deze bijdrage zal ik trachten een overzicht te schetsen van toepassing van de verschillende BTW tarieven in de beroepspraktijk van een musicus met een gemengde praktijk. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen ‘optreden’ en doceren’, de twee belangrijkste activiteiten van musici met een gemengde praktijk. Tot slot zal nog aandacht worden besteed aan een derde categorie   ‘diversen’ waarin veel voorkomende andere activiteiten van musici worden behandeld.

Optreden

Met uitzondering van de periode 1 juli 2011 tot 1 juli 2012 vallen optredens door musici welke direct of indirect door het publiek waarneembaar zijn in het lage tarief. Het gaat er dus om dat wordt opgetreden en het publiek het optreden kan waarnemen. Deze waarneming kan direct zijn, het publiek is bij het optreden aanwezig, of indirect, het publiek ziet en of hoort het optreden later via een willekeurige beeld en/of geluidsdrager. Het begrip optreden kan ruim worden genomen want de vorm van een optreden is vrij. Zo kan een concert met een educatieve bedoeling toch in het lage tarief worden geboekt. Om achteraf discussie met de fiscus te voorkomen is het aan te raden om qua terminologie aan te sluiten bij de wet. Vermijd liever populaire fantasiewoorden zoals ‘workshop’ en dergelijke want het geeft de fiscus alleen maar een handvat om desgewenst te stellen dat in een dergelijk geval het hoge tarief van toepassing is. Optredens in het buitenland vallen in het zogenaamde nul‐tarief. Dat is erg gunstig omdat over een dergelijke prestatie geen BTW hoeft te worden betaald en de tegenover deze prestatie staande BTW van uitgaven (kosten), ook wel voorbelasting genaamd, wel kan worden teruggevorderd. Een reden van deze nul‐stelling is dat de BTW wordt berekend over de toegevoegde waarde binnen het Rijk. Als een artiest in het buitenland optreedt is dat niet “binnen het Rijk” en is de Nederlandse inspecteur dus niet bevoegd om te heffen. Op deze regel is één voor musici belangrijke uitzondering. Als de boeking van de artiest via een in Nederland gevestigde tussenpersoon (impresario of artiestenbureau) verloopt, dan is men toch het lage tarief verschuldigd aan de Nederlandse fiscus. Tot slot van deze paragraaf wordt opgemerkt dat het mogelijk is dat de buitenlandse fiscus bij de musicus BTW heft volgens de in dat land geldende tarieven. Dit zal alleen voorkomen als de musicus zeer regelmatig in dat land optreedt.   Ook het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen valt in het lage tarief. Een musicus die zelf een uitvoering organiseert en entree heft, is over die omzet 6% BTW verschuldigd.

Doceren

Een veelgehoorde quote is “Onderwijs is in Nederland vrijgesteld voor de BTW”. Laat er geen misverstand over bestaan, deze quote is apert onjuist. De wet geeft heel specifiek twee vrijstellingen voor onderwijs. Ten eerste algemeen vormen onderwijs dat uit openbare kassen worden betaald (lees: door de Rijksoverheid wordt gefinancierd)  en beroepsopleidingen alsmede onderwijs in muziek, dans, drama en beeldende vorming aan personen jonger dan 21 jaar. Bij deze laatste categorie die het er niet toe wie dat onderwijs aanbiedt en hoe het wordt gefinancierd. Voor musici is het duidelijk; muziekles aan kinderen tot 21 jaar is vrijgesteld van BTW. Het is overigens niet altijd gunstig om in de vrijstelling te vallen, vooral niet voor musici met een gemengde praktijk. Het is namelijk zo dat in tegenstelling tot het nul‐tarief (zie hiervoor) de voorbelasting welke tegenover een vrijgestelde prestatie staat niet mag worden teruggevorderd6 . Hiervoor in de inleiding en  onder “optreden” is reeds besproken dat de BTW is gekoppeld aan de prestatie. Een bepaalde prestatie valt dus in het hoge, lage of nultarief of in de vrijstelling. Is er onduidelijkheid dan kan aansluiting bij de wettelijke terminologie veel, zo niet alles, oplossen. Noem een optreden met een educatief karakter op de factuur ook echt “optreden” en het lage tarief is van toepassing. Op dezelfde wijze kan de vrijstelling worden toegepast als de dienst op de factuur wordt omschreven als “muziekles aan kinderen onder de 21 jaar”. Populistische omschrijvingen als “workshop of “clinic” en dergelijke staan erg interessant maar het vraagt om problemen als men deze begrippen overneemt in de administratie. Behalve de twee hiervoor beschreven uitzonderingen vallen onderwijsprestaties in het hoge (standaard) tarief van 21%.

Niet zelden komt het voor dat onderwijs en optreden wordt gecombineerd in één prestatie. Welk tarief is dan van toepassing? of moet de prestatie worden gesplitst? Volgens vaste rechtspraak7 is het zo dat  verrichtingen die economisch als één prestatie moeten worden gezien voor wat betreft de toepassing van de BTW niet kunstmatig uit elkaar moeten worden gehaald. Om te bepalen welk tarief op een gecombineerde prestatie van toepassing is geldt de regel “de nevenprestatie volgt de hoofdprestatie”. Het is dus zaak om na te gaan welk onderdeel van de prestatie het belangrijkst is. Is doceren aan volwassenen de hoofdprestatie, dan is de BTW 21%, is optreden de hoofdprestatie dan is de BTW 6% is doceren aan kinderen onder de 21 de hoofdprestatie dan is die prestatie vrijgesteld voor de BTW. Als een musicus dus wordt gevraagd voor een “workshop” dan is het dus zaak na te gaan wat de hoofdprestatie is. Men hoeft niet over bijster veel fantasie te beschikken om te kunnen bedenken dat met de juiste omschrijving op de factuur de keuze van het toe te passen BTW tarief zo ten gunste van het gewenste tarief kan worden aangepast…

Diversen

Tot slot van deze bijdrage volgen nog enkele opmerkingen over andersoortige prestaties, niet zijn de doceren of optreden die musici vaak leveren en de bijbehorende BTW tarieven. Op literatuur is het lage tarief van toepassing. Indien een musicus zelf een lesmethode heeft geschreven en deze aan zijn of haar leerlingen verkoopt is hij of zij over die omzet het lage tarief verschuldigd.   De prestatie van een componist of arrangeur valt in de vrijstelling. Schrijft een musicus een compositie of maakt hij een arrangement van een bestaand werk dan is hij over omzet uit verkoop of licentie van deze prestatie geen omzetbelasting verschuldigd. Voor al het overige geld de vuistregel: Valt een prestatie niet expliciet op grond van de wet in het lage tarief, het nul‐tarief of de vrijstelling? Dan is het hoge tarief van toepassing. Al met al kan worden gezegd dat de wetgever de musicus/ondernemer behoorlijk ontziet als het om de BTW gaat. Het vergt even wat aandacht om de complexe uitzonderingen toe te passen maar dan komt de musicus/ondernemer alleen bij significantie omzet aan betalen toe.